...'Ik houd me bezig met het, eh, verdwijnen van de direkte natuur'. Deze woorden, twintig jaar geleden door Rob van Koningsbruggen uitgesproken, zijn nog steeds actueel. Ze geven op een mooie manier weer hoe deze schilder zich verhoudt tot wat door de eeuwen heen een belangrijk onderwerp is geweest in de Nederlandse schilderkunst: het landschap. De uitspraak is ook intrigerend omdat het onderwerp met de nodige aarzeling ter sprake wordt gebracht en eenmaal ter sprake, klinkt in zijn woorden het bijna onmogelijke van de opgave door: het vastleggen van het verdwijnen van iets dat op dat moment al uit de (abstracte) schilderkunst was verdwenen, de afbeelding van de ons omringende natuur. Het is het dilemma waarmee een schilder in deze eeuw wordt geconfronteerd. Het afbeelden van de werkelijkheid is niet meer het eerste dat de kunst zin geeft, terwijl het werken zonder onderwerp voor de meeste kunstenaars ook niet meer zinvol wordt gevonden. 'Je houdt je toch altijd bezig met dingen die om je heen gebeuren, anders ben je nergens mee bezig', antwoordde Van Koningsbruggen op de vraag naar een toelichting op zijn hierboven geciteerde woorden. Want vanzelfsprekend is zijn fascinatie voor (het verdwijnen van) 'de natuur' nooit geweest... * ...In het najaar van 1993 bezochten we enkele musea rond de Hofvijver om 'op locatie' de mogelijkheden te onderzoeken een aantal kunstwerken van Van Koningsbruggen in deze (kunst)historische omgeving tentoon te stellen. We stonden stil bij een enkel schilderij. Vooral de landschapschilders kregen aandacht van hem. In het Mauritshuis waren dat onder meer Hercules Segers, Aert van der Neer, Jacob van Ruisdael en Jan van Goyen natuurlijk. In het Museum Bredius trokken twee kleine werken van Anthony Jansz van der Croos zijn aandacht. 'Waarom juist deze schilderijtjes?'. 'Schilderijen', verbeterde hij. Hij wees me op de bomen en op het toeval dat hun vorm had bepaald in deze goed gecomponeerde schilderijen. Ook herkende hij de werking van het toeval in de manier waarop de wolken en andere onderdelen in het schilderij waren geschilderd. 'Je kan op dezelfde manier een boom en een wolk bekijken én schilderen; van voor- en achtergrond is dan geen sprake meer. Ze hebben dezelfde inhoud, hetzelfde belang'. Dit is volgens hem anders bij een portret, waar meestal wel een duidelijk schilderkunstig onderscheid gemaakt wordt tussen voor- en achtergrond. 'Een goed portretschilderij herken je aan de achtergrond'. In enkele minuten werd me een ander zicht op deze schilderijen geboden en eerlijk gezegd keek ik daardoor ook anders naar zijn schilderijen. School hierin het 'landschappelijke' waarover hij het met regelmaat heeft gehad? 'Ja, zó zou ik in die tijd geschilderd kunnen hebben', luidde zijn commentaar, dat voorzien was met de hem kenmerkende, licht ironische blik. De dingen in een ander licht plaatsen - of op z'n kop zetten desnoods - is Van Koningsbruggen toevertrouwd... * ... Op het atelier stonden zijn schilderijen klaar om naar het museum getransporteerd te worden. 'Dat zijn ze', zei hij zonder dat hij een verdere verklaring nodig achtte. Het was zijn keuze uit zijn werk van de laatste vijfentwintig jaar. WB 'Het ligt niet direct voor de hand om jouw schilderijen naast die van de oude meesters te hangen. Daartussen lijkt nogal een grote afstand te liggen in zowel tijd als opvattingen van het schilderen. Dat je ze toch naast elkaar wilt ophangen doet me denken aan de tekst van een van je mooiste tekeningen: 'De weg was recht, de weg was krom'. Misschien zijn er directe lijnen, maar de ongebaande wegen lijken toch de overhand te hebben'. RvK 'Nou, ik vind dat nogal meevallen met die afstand. Het is driehonderd jaar, meer niet. Eigenlijk is het heel logisch. Er zijn verschillen, maar ik zie toch vooral overeenkomsten.' WB 'Geldt dat voor alle oude kunst?' RvK 'In de periode daarvóór lag dat anders, dan had ik zelfs waarschijnlijk niet geschilderd. Maria met kind, nou nee. In de 17de eeuw zou ik ook naar buiten zijn gegaan, het landschap in. 'Dat is wat veel mensen misschien denken, dat als Jan van Goyen nu had geleefd dat hij met zijn schetsboekje de deur was uitgelopen. Nee. Hij had dan uren in de trein moeten zitten om een goede plek te vinden, want een behoorlijk landschap kennen we hier niet meer. Dat had hij niet gedaan. Vroeger dacht ik nog van wel, maar nu weet ik dat hij nu zó niet had geschilderd als in zijn eigen dagen, meer zoals ik... Kan niet anders. 'Eigenlijk is het wonderlijk dat Van Goyen naar het landschap keek. Prachtige schilderijen maakte hij. Maar toch vreemd dat hij dat deed: de natuur overtreffen of evenaren? Je verliest het toch. Dat er nu geschilderd wordt, is veel begrijpelijker: iets schilderen dat er nog niet is. Dat houdt mij bezig...' * ...'Mooi hé, die bomen', had hij opgemerkt toen we door het heiige landschap tussen Amsterdam en Den Haag reden. De bomen aan de horizon waren niet meer dan vlekken. De gespeelde ironie waarmee hij dat had zei, kwam niet alleen voort uit een zekere 'overconcentratie' op dat onderwerp, zijn aandacht leek ook gerelativeerd te moeten worden vanwege de sporen die het technologische tijdperk door het landschap had getrokken. Voor details die wat hem betreft niet in het landschap thuishoren, had hij ook een scherp oog toen hij zijn keuze maakte uit de collectie Bredius. RvK 'Zo'n Van Wieringen die schildert een prachtig landschap; een prachtige achtergrond, met al de verschillende blauwgroenen. Maar hij vond het nodig om er Jozef en Maria in te schilderen en Job met de boodschap 'leef gezond'. Al die details, die figuurtjes, anekdotes zijn gewoon lelijk. De eerlijkheid gebiedt mij dit schilderij in de keuze op te nemen. Die mentaliteit van Van Wieringen past wel bij mij'. WB 'Waar heb je naar gekeken bij je keuze: een bepaalde mentaliteit?' RvK 'Ik heb natuurlijk niet alleen de beste schilders gekozen, er zitten ook kleine meesters tussen. Die hebben toch iets dat ik herken. Hercules Segers is zo'n beetje de grootste die er geweest is, maar Van der Croos is natuurlijk een kleine meester. Daar pas ik wel ergens tussen in.' WB 'Zou je je met iemand kunnen meten?' RvK 'Ik denk met Jan van Goyen. Ja, dat haal ik wel. 'Ik had in plaats van bijvoorbeeld Molijn, ook het landschapschilderij van Aelbert Cuyp kunnen kiezen, dat is kwalitatief een veel beter schilderij en het onderwerp is tenslotte landschappelijk. Maar er zit iets in dat niet bij mij past. Ik weet het niet. Te glad, te afstandelijk, te weinig betrokken.' WB 'Te weinig betrokken ten opzichte van het onderwerp?' RvK 'Ja. Landschappelijkheid is voor mij bijna gelijk aan betrokkenheid. Dat herken ik in die schilderijen. Segers is een heel extreme figuur die er dan ook een beetje buiten valt in Nederland. Het lijkt wel of hij zich in het schilderij van Bredius verliest. Je ziet hoe al die lagen er zijn opgeschilderd. Het is prachtig, maar ik weet het niet. Eigenlijk een laagje te veel. 'Je kan een landschap heel objectief schilderen, zoals Van Goyen en veel mysterieuzer zoals Segers deed, terwijl veel elementen hetzelfde zijn. Het werk zelf kan ook zo evolueren dat je het ene moment meer objectief schildert en dat er langzamerhand een bepaalde mystiek ingroeit. Maar het gaat om die landschappelijkheid.' Bij Van Koningsbruggen krijgt deze landschappelijkheid een betekenis die veel dichter bij de schilderkunst zelf ligt, dan dat ze af te lezen is aan de keuze van het geschilderde onderwerp. Hiermee sluit Van Koningsbruggen, ongewild overigens, aan bij een onderscheid dat in de 17de eeuw de gemoederen ook nogal in beweging hield. Want ook toen trachtte men met behulp van de schilderkunstige middelen, de natuur meer 'in de gheest' van het onderwerp weer te geven, dan de classicistische regels van het 'verstand' mogelijk maakte door de pure navolging van de natuur voor te schrijven. Het landschap kreeg zo religieuze dimensies. RvK (Over het schilderij van Dubus) 'Die hoekige wolken maakt het schilderij zo spannend. Dubus verzuipt niet in het eindeloos gedraai in de wolken en de bomen en de blaadjes. Maar hij gaat er tegenin. Hij zet er zo'n harde vorm in. Hij blijft de baas. Nauwincx bijvoorbeeld, was dat niet. Het toeval waarmee die rotspartij in het schilderij tot stand kwam, heeft hem nog net gered. Als je soms naar een wolk kijkt zijn ze soms bijna vierkant, soms lijken ze op de landkaart Spanje, dat is idioot. Die Dubus heeft dat ook gezien. Dat is mooi.' Eerder had Van Koningsbruggen opgemerkt dat de schilderijen van Van der Croos landschappelijk van zichzelf waren. 'Hij had bij wijze van spreken een stilleven landschappelijk kunnen schilderen. Misschien waren ze vroeger wel veel luier en deden gewoon dat waarin ze goed waren, zonder te denken: hoe kijk ik tegen een stilleven aan. Bijzonder enthousiast is hij dat in het Bredius museum het schilderij 'Bacchusfeest' hing, een ongewoon uitbundig tafereel van de bekende landschapschilder Philips Koninck. 'Hij heeft het geschilderd alsof het een landschap was.' Dat het schilderij daar hing is te danken aan Bredius, voormalige directeur van het Mausritshuis én privé verzamelaar, die ook oog had voor zulke bijzonderheden en bij voorkeur een schilderij van een kunstenaar aanschafte dat afweek van het onderwerp waaraan deze zijn bekendheid dankte... * ...Voor Van Koningsbruggen is het vanzelfsprekend als dat hij in mentaliteit dicht staat bij een aantal 17de en 18de eeuwse collega's die het Hollandse landschap groot hebben gemaakt. Hij noemt z'n schilderijen landschappelijk, zonder dat het landschap wordt nageschilderd. Over een van zijn meest favoriete, 'eenvoudige' schilderijen, een werk uit 1987, zegt hij: 'Als ik het nu zie dan zie ik gewoon een boom uit '87, dezelfde organische structuur als een boom. Het heet nog steeds 'Zonder Titel'. Hoewel? Ik weet nog niet wat ik doe als ik een oude man ben. Misschien noem ik het dan wel 'Boom'. Maar hij blijft argwanend: 'Er hoeft maar heel weinig te gebeuren en er zit een figuratie in mijn werk, helaas. Soms is het erg irritant. Dan gaat het er niet uit. Pech gehad, maar ik kan er niets aan doen. Zo zien mensen in sommige werken een zandloper, maar ik heb nooit aan een zandloper gedacht.' WB 'Maar in dat werk zie je ook niet direct een boom'. RvK 'Nee, het gaat om het organische van zo'n boom. Het is fascinerend hoe zo'n boom telkens verandert. Mooie uitvinding, dat ding.' WB 'Wat de kleur betreft zou je het ook kunnen duiden. Groen van het gras, bruin van de boom en daarboven een stralende lucht.' RvK 'Hmm... Bij het blauw in het vierluik uit 1993 denk je onmiddellijk aan de lucht. Zo werkt het in dat schilderij.' WB 'Maar niet alle kleurvlekken werken zo, neem ik aan. Het is geen abstrahering van de werkelijkheid.' RvK 'Nee, ik ben gelukkig geen Bart van de Leck'. WB 'Kun je zeggen dat het landschappelijke bij jouw de consequentie is van het schilderen en niet de opzet?' RvK 'Ja, je ziet de zelfde dingen in de schilderijen terug als die je in het landschap ziet. Weliswaar niet direct, maar toch. Mijn schilderijen zijn net zo landschappelijk als de schilderijen van Jan van Goyen.'... * ...Geboren in Den Haag volgde hij daar ook het kunstonderwijs. 'Gebrek aan talent' was reden om na een jaar de Koninklijke Akademie te verruilen voor de Vrije Akademie. In die periode, in ieder geval na z'n negentiende, bezocht hij het Mauritshuis regelmatig. Ook Museum Bredius, toen nog in het voormalige woonhuis aan de Prinsengracht, kende hij. 'Als ik die schilderijen niet had gezien, was er misschien weinig reden geweest om verder te gaan. Ik vond het prachtig , maar je hebt ze niet nodig voor je ontwikkeling. De schilderijen hebben geen invloed gehad, nee. Daarvoor is de afstand wel te groot geweest. Het is een soort luxe.' Op de Vrije Akademie vond er een ingrijpende omslag plaats. Gestimuleerd door het werk van Jawlensky, Paul Klee en Schoonhoven zag hij de beperking van het modeltekenen in. 'Op een goed moment was het genoeg, ik kon het wel'. In 1970 verruilde hij Den Haag voor Haarlem waar hij een atelier van het opleidingsinstitituut Ateliers '63 kreeg. In deze totaal andere omgeving maakte het werk van Richard Long indruk op hem. Deze Engelse beeldhouwer bewoog zich veelal te voet door het landschap. De sporen van zijn aanwezigheid die hij daarin aanbracht, legde hij vervolgens (fotografisch) vast. Van Koningsbruggen begreep deze houding goed, maar was teveel 'verzot op verf' om het schilderen op te geven. Deze passie is gebleven of beter gezegd, is steeds sterker geworden. Op de vraag waarom hij enkele tekeningen had opgenomen, antwoordde hij: 'Kleur is zo belangrijk geworden in mijn schilderijen, dat ik eigenlijk was vergeten dat ik getekend heb. Maar omdat Museum Bredius een paar mooie tekeningen bezit - vooral Van Ruysdael heeft een ontzettend mooi handschrift - was het een goede reden om ze weer eens terug te halen.' Dat er in vergelijking met voorgaande eeuwen nu zoveel verschillende pigmenten beschikbaar zijn, beseft hij goed en wil die ook benutten. 'Je zou wensen dat ze daar vroeger ook over hadden kunnen beschikken. Op technisch gebied weten wij nu zo veel, maar wat doen we ermee. Als wij nu hun pigmenten gebruiken wordt het een zootje, modder. Ik heb het geprobeerd maar kon er niet goed mee uit de voeten. De mogelijk- heden die wij hebben zijn daarentegen zo groot dat het soms pijn doet aan de ogen.' Dit verschil in mogelijkheden wordt duidelijk als de schilderijen uit het Museum Bredius naast die van Van Koningsbruggen hangen. Het landschap van Segers naast het achtluik, dat hij dit jaar maakte en sinds 1978 weer het eerste zg. 'geschoven' schilderij is. Toch vindt hij dát niet het grootste contrast, dat ligt voor hem tussen het mysterieuze van Segers en het objectieve van zijn eigen werk. De verwantschap ligt in de manier waarop beide werken zijn opgebouwd: in duidelijk herkenbare - deels transparante - lagen. 'Ze zijn elkaars tegengestelde en toch verwant'. Over het bij elkaar brengen van de verschillende werken wil hij niet veel krijt. 'Het zijn moment opnames wat je kiest. Het rammelt een beetje, maar erg vindt ik dat niet.' Wel stond, evenals de zojuist genoemde werken, vanaf het begin vast dat, naast het landschap van Jan van Goyen, het zg. groene schilderij uit 1971 moest komen te hangen. Waarom? 'Ja dat weet ik niet. Dat zullen we wel zien.' WB 'Je wilt wat meer kleur geven aan dit bijzondere, bijna kleurloze schilderij? RvK Er zit weinig kleur in, maar de gelijke inzit vind ik heel duidelijk. Het is zo'n eerlijk schilderij van Van Goyen; geen toneel stukje; niet overdreven. Er zit wel een soort eenvoud, een soort rust in. De ongecompliceerde mentaliteit die zichtbaar wordt... * ...Aan het einde van het gesprek vroeg ik hem: 'Ga je wel eens naar buiten, alleen om te kijken?' RvK 'Ik betrap me er wel eens op. Dan kijk ik naar de bomen, de wolken hier in Amsterdam en dan vind ik dat prachtig. Als er een ontzettend mooie lucht is, ga ik een paar minuten op de brug staan; kijken. Niet lang. Waarom niet? Misschien ben ik bang dat ik word beiinvloed en dat je het te duidelijk in mijn werk gaat zien. Tegelijkertijd weet ik dat dát niet gebeurt. Om als een idioot naar de wolken en het landschap te kijken, is niet van deze tijd. Ik kan me trouwens voorstellen dat als je in die tijd had geleefd en je het landschap om je heen had gezien, dat je dan zou denken: ik ga er tegen in, ik ga er niet in mee'... * ...Eind september stonden de schilderijen uitgezet tegen de muur in een zaal van het museum. Ook toen al deed het binnenvallend zonlicht, dat de zalen van dit museum zo bijzonder maakt, haar werking: elk schilderij werd een soort lichtmachine. Wat van zichzelf dode materie van pigment en bindmiddel was, werd onder invloed van de wisselingen van het daglicht op het netvlies tot leven gewekt om, ongeacht de tijd waarin het schilderij totstandgekomen was, puur visuele ervaringen te genereren. Op weinig andere momenten ben ik me hiervan bewust geweest dan toen het bijna kleurloze, in hoofdzaak grijze schilderij van Van Goyen naast het zo goed als monochrome, groene werk van Rob van Koningsbruggen uit 1971 kwam te hangen. Los van welke representatie ook in deze schilderijen - of dat nu de werkelijkheid van het landschap is of de verfstreek als schilderkunstige handeling - hier werden met simpele middelen nuanceringen van kleur en bewegingen van enkele lijnen aan de toeschouwer blootgegeven. Is het mogelijk dat schilderijen die uit zulke verschillende kunsthistorische perioden afkomstig zijn - perioden waarvan wordt gezegd dat de een de ander zo goed als geheel uitsluit, zoals de begrippen oud en modern dat doen - kunnen zulke schilderijen bij elkaar in de buurt komen om meer van zichzelf vrij te geven. Zou een openbare collectie oude schilderkunst toegankelijk kunnen worden voor de exclusieve blik waarmee moderne kunst doorgaans wordt bekeken én omgekeerd zou de gereserveerde blik van liefhebber van de 17de eeuwse kunst gevoelig kunnen zijn voor de visuele kracht van de abstracte schilderkunst. Het is een verschil van driehonderd jaar, meer niet... Waling Boers zomer 1994